Wederopbouwarchitectuur

Uit Agriwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Wederopbouwarchitectuur bij boerderijen[bewerken | brontekst bewerken]

Bij het woord Wederopbouw hebben veel mensen wel een bepaald idee. Meestal denkt men aan veel en hard werken in de periode na de Tweede Wereldoorlog. De laatste jaren wordt er steeds meer een stroming in de architectuur bedoeld: de Wederopbouwstijl. Het is een sobere variant van de Delftse school, een bouwtrend die eind jaren twintig is ingezet en op grotere schaal werd toegepast in de jaren dertig van de vorige eeuw. Gevoed door het pessimisme, veroorzaakt door de economische crisis, wordt teruggegrepen op vertrouwde traditionele vormen en materialen. De stroming Nieuwe Zakelijkheid, opgang makend in de voorgaande jaren, werd gezien als modernistisch en verloor aan populariteit in de jaren dertig tot zestig van de vorige eeuw. Na de oorlog drukte de Delftse School een sterk stempel op de landelijke architectuur, zodat er ook wel gesproken werd over Delftse dictatuur.

Herstel oorlogsschade[bewerken | brontekst bewerken]

In de meidagen van 1940 is veel oorlogsschade ontstaan aan bebouwing en infrastructuur. Dus ook aan boerderijen. Ongeveer 800 boerderijen werden óf preventief geruimd óf als gevolg van oorlogshandelingen verwoest. In eerste instantie vooral rond de Grebbelinie, in de laatste oorlogsjaren ontstond veel schade in Brabant en Limburg. In totaal zijn in de oorlog ruim 8000 boerderijen vernield. Incidenteel al tijdens de oorlog, maar vooral vrijwel direct na de Bevrijding werd overal begonnen de oorlogsschade te herstellen in de genoemde sobere stijl, de Wederopbouwarchitectuur is geboren. Deze bleek goed aan te sluiten bij de smaak van de over het algemeen traditioneel ingestelde plattelands bevolking. Kenmerken zijn: eenvoudige bakstenen gebouwen met tuitgevels, schouderstukken, vlechtingen in het metselwerk, geen overstekken en meestal gedekt met rode pannen. Pas in de loop van de jaren zestig heeft het traditionalisme van de Delftse School het afgelegd tegen de vernieuwingen in de boerderijenbouw, die zijn ingegeven door de modernisering en schaalvergroting van de landbouw en veeteelt. Deze laatste ontwikkelingen leveren vooral algemene boerderijtypes op die steeds minder streekeigen kenmerken bezitten.

Organisatie Wederopbouw boerderijen[bewerken | brontekst bewerken]

Bij deze wederopbouwboerderij in Oud-Alblas (ZH) is de voor die regio traditionele indeling met huis en stal onder één dak losgelaten. Deze boerderij bestaat uit een losse woning en een aparte stal / schuur. (Bron: Fotoarchief Bureau Helsdingen, Vianen)
Kenmerkend voor de wederopbouwboerderijen is de gevelsteen met een jaartal en de Nederlandese leeuw die herrijst. Boerderij te Oud-Alblas. (Bron: Fotoarchief Bureau Helsdingen, Vianen)

De herbouw van boerderijen kreeg grote prioriteit om de voedselvoorziening op peil te houden. Op 15 juli 1940 werd door de overheid het Bureau Wederopbouw Boerderijen (BWB) geïnstalleerd om de bouwplannen te coördineren. Dit bureau was een voortzetting van de Directie van de Wieringermeer, die net was drooggelegd en waar ruime ervaring in boerderijbouw was opgedaan. Voor deze taak samengevoegd met het in 1937 opgerichte Rijksbureau van de Voedselvoorziening van het Ministerie van Landbouw en Visserij in Den Haag. Hoofd van de Bouwkundige Afdeling de heer A.D. van Eck kreeg de leiding over de wederopbouw. Nederland werd in zes districten ingedeeld, de Alblasserwaard viel onder Dordrecht. Heftige discussies zijn gevoerd over ‘… het spanningsveld tussen het vreemde en het eigene, innovatie en behoud, functionaliteit en esthetiek, uniformiteit en variabiliteit, modernisering en traditie.’ Er traden natuurlijk spanningen op tussen de gedupeerden, getroffen door het verlies van de boerderij die vaak al generaties lang in de familie was en soms ook door verlies van familieleden, en de rationalistische overheid die in de wederopbouw van boerderijen kansen zag om de landbouw te moderniseren. De door het BWB vastgestelde richtlijnen bepaalden uiteindelijk dat eenvoudige, maar doelmatige gebouwen moesten ontstaan die een efficiënte agrarische bedrijfsvoering mogelijk maakten. De vormgeving van de modernisering leunde op 'het bekende', de regionale kenmerken bleven behouden. Uit de rapportages van adviescommissies aan het BWB blijkt dat boeren en ook boerinnen - via organisaties als bijvoorbeeld de Plattelandsvrouwen - recht van inspraak kregen bij de wederopbouw. De uitkomsten werden verspreid via twee brochures. Zo pleitten de boerinnen voor betere watervoorzieningen, betere keukens, w.c.’s binnenshuis maar ook voor de afschaf van de bedstede. In hoeverre rekening is gehouden met de wensen, is niet met zekerheid te zeggen. Wel is zeker dat de nieuwe situatie voor sommige boeren niet ongunstig uitpakte. De grootte van de wederopbouwboerderijen werd namelijk bepaald door de grootte van de percelen grond die de boer bezat. En dat betekende soms dat er een grotere boerderij herrees dan er oorspronkelijk had gestaan. Lokale of regionale architecten, bekend met de regionale bouwkenmerken werden ingeschakeld. De opdracht luidde: boerderijen, ruim van opzet met eigentijdse woonhuizen en moderne stallen en, met het oog op de materiaalschaarste, hergebruik van zoveel mogelijk restanten van de vernielde boerderijen.

De inventarisatie van de verwoestte boerderijen vond plaats in mei 1940. Gekeken werd naar de omvang van de schade en de ouderdom van de boerderijen. Dit was vooral van belang om de hoogte van de eigen bijdrage te bepalen. Een belangrijk deel van de schade werd door het rijk vergoed, maar de eigenaar moest zelf 10 tot 25 % bijdragen aan de herbouw. De regel was dat voor herbouw moest worden uitgegaan van ‘de minimum afmetingen en den sobersten bouw, welke in verband met den omvang van het bedrijf kan worden toegepast’. Als de eigenaar groter of luxer wenste te bouwen dan van hogerhand voor zijn bedrijf nodig werd geacht, dan werd hij daartoe in de gelegenheid gesteld. De hogere kosten waren voor eigen rekening. De schadevergoeding werd alleen uitgekeerd voor herbouw, de controle was opgelegd aan de gemeente waarin het betreffende pand stond. Een belastinginspecteur beoordeelde of de eigenaar uit liquide middelen het bij te dragen bedrag geheel of gedeeltelijk kon betalen. Kon men dat niet, wat meestal het geval was, dan kon de overheid een renteloos krediet verlenen met een looptijd van 30 jaar. De ervaringen van de eigenaren zijn lang niet altijd positief ten opzichte van de wederopbouw. Maar het eindresultaat was toch vaak een mooiere en bedrijfsmatig betere boerderij. Wat natuurlijk niet weg neemt dat de impact van deze gebeurtenis groot is geweest.

Gevelsteen[bewerken | brontekst bewerken]

Veel wederopbouwboerderijen dragen een terracotta gevelsteentje waarop een uit het vuur oprijzende Hollandse leeuw te zien is, vervaardigd door de plateelfabriek van Brouwer’s Aardewerk te Leiderdorp. Het vermeldde jaartal lijkt te verwijzen naar het jaar van de verwoesting van de oude boerderij (niet altijd). Bijzonder is, dat is gekozen is voor een afbeelding van de Hollandse leeuw tijdens de Duitse bezetting.

Sentimenten rond de Wederopbouwarchitectuur[bewerken | brontekst bewerken]

Door sommigen wordt de bouwstijl monotoon en smakeloos genoemd. En voor hen is sloop de enige oplossing en dat wordt dan ook volop gedaan. De sentimenten zijn echter aan het veranderen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed(voorheen Rijksdienst voor de Monumentenzorg) verzamelt gegevens over gebouwen uit deze periode. Een eerste tentoonstelling ‘Lelijk is geen argument’ is gehouden. Prof. dr. Marieke Kuiper, hoogleraar Cultureel Erfgoed aan de Technische Universiteit Delft, stelt dat de verdwijning heel snel gaat. De gebouwen verouderen, maar zijn doorgaans te jong voor cultuurhistorische bescherming. De herwaardering is een langdurige zaak: ‘…de ene generatie vindt vaak niet mooi wat de vorige heeft nagelaten, maar kijk je naar de erfenis van je grootvader, dan tellen ineens de 'roots'.’ Ook de Amsterdamse architectuurhistoricus Vincent van Rossem werpt zich op als pleitbezorger en provocerende stellingen zijn hem niet vreemd. Hij beticht woningbouwcoöperaties dat zij, vaak met oneigenlijke argumenten, veel relatief goede woningen afbreken en vervangen door kwalitatief magere nieuwbouw, terwijl er steeds meer technieken komen om de energiebesparing, geluidsisolatie of betonherstel toe te passen. Van hem is ook de uitspraak ‘Als niemand zijn vinger had opgestoken was in de jaren zeventig de Jordaan volledig verloren gegaan met als argument de verkrotting en verpaupering tegen te gaan.’

Is dit alles de moeite van behoud waard?[bewerken | brontekst bewerken]

Door Marieke Kuiper zijn enkele criteria opgesteld: Louter mooi of lelijk is niet aan de orde. Naast enige esthetiek moet sprake zijn van architectuur- en cultuurhistorische waarden en zeldzaamheid.

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Tekst: Joke Karelse, juli 2011.
  • Uit nieuwsbrief Boerderij & Erf
  • Mertens Instituut, Amsterdam
  • Bleskensgraaf in Oorlogstijd, uitgave Historische Vereniging Binnenwaard
  • Artikel in de Volkskrant door Rob Golin 15-10-2007
  • Hans Mouthaan, Bleskensgraaf
  • De Alblasserwaard door Catharina van Groningen