Metselwerk

Uit Agriwiki

In Nederland bestaan de meeste oude en nieuwe gebouwen en monumenten uit metselwerk van baksteen. Naast baksteen kan er ook worden gemetseld met natuursteen, kunststeen, beton en kalkzandsteen.

Schoon en vuil werk

'Product dat is ontstaan door metselen, waarbij na het verharden van de specie een versteend geheel is gevormd met natuursteen, baksteen of kunststeen, beton en kalksteen.' (E.J. Haslinghuis, Bouwkundige termen, (1986 Utrecht), p249) Metselwerk dat in het zicht is wordt 'schoonmetselwerk' genoemd. Dit metselwerk moet recht gemetseld zijn (rechte lintvoegen) en bestaan uit schone en goede kwaliteit metselstenen. Als het metselwerk niet in het zicht blijft wordt het 'vuilwerk' genoemd. Vuilwerk mag wat minder recht gemetseld worden. Over het metselwerk komt namelijk een afwerklaag zodat eventuele oneffenheden weggewerkt worden. Schoon metselwerk wordt ook wel gevelmetselwerk genoemd. Dit metselwerk vormt de huid van vrijwel alle (oude) gebouwen. Het is daarmee zeer bepalend voor het uiterlijk van het gebouw. Een baksteen heeft door het bakproces een bakhuid gekregen. Deze huid van de baksteen is harder dan de rest van de steen en zorgt ervoor dat er niet te veel vocht en vuil in de steen kan dringen. Het is daarom belangrijk dat deze huid in stand blijft. Als de niet zo is zal de baksteen versneld verouderen en verweren.

Wat maakt metselwerk waardevol?

Er zijn drie punten die belangrijk zijn om te weten over de waarde van metselwerk, alvorens over te gaan op herstel, onderhoud of reiniging van metselwerk:

  1. 'Het metselwerk is een document van een werkwijze en techniek. Origineel metselwerk en voegwerk verschaft veel informatie over de geschiedenis van het bouwen in het algemeen en de bouwperiode van het bouwwerk in het bijzonder. Het is 'gestolde' geschiedenis en daarmee een belangrijk bouwhistorisch gegeven.
  2. Het metselwerk bepaalt in hoge mate het karakter van het gebouw. Het is als het ware de huid. Strengperssteen platvol doorgestreken 'oogt' heel anders dan een handgevormd gevelklinkertje met een gesneden voeg. Ook het [[patina] dat door de tijd is ontstaan door wat dichtslibben van nerven door roet, stof, etcetera, speelt een belangrijke rol. Bij het reinigen van gevels wordt deze patina verweiderd. Helaas wordt daarmee vaak ook de bakhuid van de steen aangetast.
  3. Als het metselwerk onderdeel is van een monument heeft dit dus monumentale waarde. Behalve voor beperkt herstel en zorgvuldig onderhoud, is voor algeheel herstel van het oorspronkelijke metselwerk en voegwerk een vergunning nodig ex artikel 11 van de monumentenwet 1988. Het wordt namelijk als een wijziging van het uiterlijk beschouwd. Hetzelfde geldt voor het reinigen van gevels.' (Monumentenwacht Inspectiehandboek 1, 1.2.1.0)

Verschil tussen oud en nieuw metselwerk

Metselwerk kent een lange historie. De Romeinen waren er al meesters in om metselwerk in baksteen en natuursteen. Na de val van het Romeinse Rijk is het bakken van baksteen in nederland in de vergetelheid geraakt en pas in de 12de eeuw wordt er in Nederland weer bakstenen gebakken. Tot op de dag van vandaag is baksteen metselwerk nog steeds het meest gebruikte gevelmateriaal en ook veel constructies van eenvoudige gebouwen bestaan uit metselwerk. In de loop der tijd is er wel het één en ander veranderd aan metselwerk. Tegenwoordig zijn de metselwerkwanden veel starder (stijver) dan vroeger. Dat komt omdat er vanaf de 2de helft van de 19de eeuw portlandcement wordt toegepast in Nederland. Daarvoor werd er gemetseld met andere mortels zoals kalk en nog eerder met leem. Kalk en leem zijn veel flexibeler dan portlandcement. Dit verschil is van groot belang bij inboeten! Daarom moet de mortelsamenstelling afgestemd zijn op het bestaande werk. Zo hoort bij een zachte steen een zachte mortel met veel kalk en geen of weinig cement. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dit zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Bij cementmortels is cement het bindmiddel. Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren: van binnen naar buiten (woonvocht) en van buiten naar buiten (regen). Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. En als er een keer iets kapot vriest is het de voeg en niet de baksteen, want die neemt minder snel vocht op.

Bij een cementvoeg is de baksteen vaak het zachtste en meest poreuze onderdeel. Gevolg: de baksteen neemt het vocht op en kan het niet door de voegen verder transporteren. Daarom moet het vocht ook weer via de baksteen uitdampen. Als het vriest kan de steen gemakkelijker kapot vriezen (afgeschilferde bakstenen). Cementmortels worden door metselaars graag toegepast omdat je er sneller mee kunt bouwen en omdat ze beter waterdicht zijn wat juist een probleem is bij ‘zachte bakstenen’. Cementmortels kun je alleen toepassen bij harde baksteen. Bij twijfel over de hardheid van de steen geldt de regel: zachte kalkvoeg aanbrengen.

Oud metselwerk tot circa 1890 Modern metselwerk vanaf 1890
Baksteen van niet ontluchtte klei langzaam gedroogd en gebakken. Sterk poreus, grote vochtopname, lagere uitzettingscoëfficient. Baksteen van ontluchtte klei, snel gedroogd, bij hoge temperaturen gebakken, hogere dichtheid en minder poreus, hogere uitzettingscoëfficient.
Grote verscheidenheid aan kleine en grote poriën (rommelig), bijna perfect bestand tegen vorst. Homogene gelijkmatige poriënstructuur, hierdoor sterk vorstgevoelig.
Zacht en elastisch, neemt gemakkelijk temperatuur-spanningen op. Hard en stijf, zodat dilataties nodig zijn.
Gemetseld met zachte poreuze kalkmortels, versteent met koolzuur uit de lucht, mortel is elastisch. Gemetseld met harde weinig poreuze Portlandcement, versteent door chemische reactie met het aanwezige water.
Vervorming als gevolg van beperkte zettingen kunnen gemakkelijk worden opgenomen zonder dat de samenhang van het metselwerk verloren gaat. Zettingen kunnen niet zonder scheurvorming opgenomen worden, samenhang van het metselwerk gaat verloren.

Metselverbanden

Voorbeelden van metselverbanden en hoekoplossingen. Afbeelding uit Haslinghuis, Bouwkundige termen, (2001, Leiden) p.315

Baksteen metselwerk wordt opgetrokken in bepaalde verbanden. De verbanden houden verband met de dikte van het metselwerk. Globaal zijn er drie diktes van metselwerk, namelijk:

  • Halfsteens;
  • Steens;
  • Anderhalfsteens.

Bij halfsteens worden de bakstenen in de lengte richting geplaatst, de wand heeft dan de dikte van een kop. In dit metselwerk worden buiten de hoekoplossingen over het algemeen geen koppen toegepast. Over het algemeen wordt er hier dan ook gemetseld in halfsteensverband of klezoorverband. Bij steensmetselwerk wordt de dikte bepaald door een strekzijde van een baksteen. De bakstenen worden - bij bijna alle verbanden voor deze metselwerk dikte - om-en-om een kwartslag 'gedraaid'. Hierdoor kunnen de volgende metselwerkverbanden ontstaan:

  • Ketting verband:
    • Noords of Noors verband;
    • Engels verband.
  • Vlaams verband;
  • Staand verband;
  • Kruis verband.

Het is ook mogelijk om de stenen niet om-en-om te draaien. Hierdoor ontstaat een koppenverband dat vooral bij rond metselwerk als traptorens en dergelijke wordt gebruikt. Bij anderhalfsteens metselwerk wordt het steensmetselwerk uitgebreid met nog een kop dikte die in de metsellaag verspringt.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • Monumentenwacht Inspectiehandboek 1, 1.2.1.0
  • E.J. Haslinghuis en H. Janse Bouwkundige termen, Verklarend woordenboek van de westerse architectuur- en bouwhistorie (4de druk, Leiden 2001), p.315

Verder lezen

  • Monumentenwacht Inspectiehandboek 1, 1.2.1.0