Aanwijzen gemeentelijk monument: verschil tussen versies

Uit Agriwiki
Regel 2: Regel 2:
  
 
Vele [[gemeente| gemeenten]] willen het lokale monumentenbeleid vormgeven en het opstellen van een gemeentelijke monumentenlijst speelt daarin een grote rol. Op deze wijze kan de [[gemeente]] aangeven welke objecten van lokaal monumentaal belang zijn. Deze overwegingen, de gemeentelijke doelstellingen en de beschikbare middelen bepalen uiteindelijke welke panden gemeentelijk monument worden en welke niet.
 
Vele [[gemeente| gemeenten]] willen het lokale monumentenbeleid vormgeven en het opstellen van een gemeentelijke monumentenlijst speelt daarin een grote rol. Op deze wijze kan de [[gemeente]] aangeven welke objecten van lokaal monumentaal belang zijn. Deze overwegingen, de gemeentelijke doelstellingen en de beschikbare middelen bepalen uiteindelijke welke panden gemeentelijk monument worden en welke niet.
In het hele proces zijn de volgende stappen te onderscheiden:
+
In het hele proces zijn de volgende stappen te onderscheiden: inventarisatie, waardering, selectie, aanwijzing en het vervolg: vergunningen, handhaving, onderhoud, subsidies.
* inventarisatie;
 
* waardering;
 
* selectie;
 
* aanwijzing;
 
* vervolg: vergunningen, handhaving, onderhoud, subsidies.
 
  
 
In elke stap speelt de erfgoedcommissie een grote rol. Een adviesgroep of klankbordgroep waarin bovendien beleidsmakers, ambtenaren, de historische vereniging en een welstandsorganisatie deelnemen zorgt voor meer draagvlak. Om het project ‘opstellen gemeentelijke monumentenlijst’ te laten slagen is het van belang om alle betrokkenen -vooral eigenaren, maar ook het publiek- goed te informeren.  
 
In elke stap speelt de erfgoedcommissie een grote rol. Een adviesgroep of klankbordgroep waarin bovendien beleidsmakers, ambtenaren, de historische vereniging en een welstandsorganisatie deelnemen zorgt voor meer draagvlak. Om het project ‘opstellen gemeentelijke monumentenlijst’ te laten slagen is het van belang om alle betrokkenen -vooral eigenaren, maar ook het publiek- goed te informeren.  

Versie van 10 apr 2012 16:18

De gemeentelijke monumentenlijst

Vele gemeenten willen het lokale monumentenbeleid vormgeven en het opstellen van een gemeentelijke monumentenlijst speelt daarin een grote rol. Op deze wijze kan de gemeente aangeven welke objecten van lokaal monumentaal belang zijn. Deze overwegingen, de gemeentelijke doelstellingen en de beschikbare middelen bepalen uiteindelijke welke panden gemeentelijk monument worden en welke niet. In het hele proces zijn de volgende stappen te onderscheiden: inventarisatie, waardering, selectie, aanwijzing en het vervolg: vergunningen, handhaving, onderhoud, subsidies.

In elke stap speelt de erfgoedcommissie een grote rol. Een adviesgroep of klankbordgroep waarin bovendien beleidsmakers, ambtenaren, de historische vereniging en een welstandsorganisatie deelnemen zorgt voor meer draagvlak. Om het project ‘opstellen gemeentelijke monumentenlijst’ te laten slagen is het van belang om alle betrokkenen -vooral eigenaren, maar ook het publiek- goed te informeren.

Inventarisatie

Voordat tot de opstelling van een gemeentelijke monumentenlijst kan worden overgegaan is het nodig om een overzicht te hebben van de waardevolle bebouwing. Hiervoor moeten de volgende onderzoeksfasen worden doorlopen:

  • literatuuronderzoek, waarbij gebruik wordt gemaakt van overzichtswerken, zoals uit de serie Monumenten van geschiedenis en kunst, oeuvrelijsten, tijdschriften. Hierbij is de inbreng van de plaatselijke archivaris en de historische vereniging van groot belang;
  • onderzoek van bestaande inventarisatielijsten, zoals de MIP-inventarisatie en eventueel andere door de gemeente reeds eerder uitgevoerde inventarisaties, zoals bijvoorbeeld een inventarisatie van beeldbepalende panden voor een bestemmingsplan;
  • veldwerk, waarbij het inventarisatiegebied fotografisch wordt vastgelegd. Hier vind meteen een voorselectie plaats waarbij wordt gelet op stilistische gaafheid, de vormbepalende functie, de situering en het verband met de plaatselijke geschiedenis;
  • archiefonderzoek, naar bouwjaar, architect en bestemming van interessante objecten. Hiervoor worden de gegevens van de dienst bouw- en woningtoezicht in het gemeentearchief geraadpleegd.

De interessante panden die volgen uit deze inventarisatie worden bouwtechnisch beschreven. Vastgelegd wordt:

  • de omschrijving van het pand, ongeveer op dezelfde manier als in het MIP. Hierbij kan de beschrijving worden uitgebreid met de omgeving of het interieur. Dat verschilt per gemeente;

de bouwtechnische staat, met een overzicht van: scheurvorming, staat van onderhoud, onderhoudsbehoefte etc. Hieruit volgt een schatting van herstelkosten;

  • cultuurhistorische waardering met motivatie.

Deze gegevens kunnen worden opgenomen in een kaartsysteem, een mooi monumentenboekje of een database. Er bestaan gecomputeriseerde beeldregistratiesystemen die speciaal voor dit doel zijn ontwikkeld. Hierin kunnen adres- en woonplaatsgegevens worden gekoppeld aan foto’s en kaarten, zoals de topografische kaart. Ook is er ruimte voor het opnemen van inventarisatiegegevens of een redengevende omschrijving.

Waardering

Er bestaan diverse waarderingsmethoden, waarbij doorgaans de volgende aspecten worden betrokken:

  • Cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis
  • Algemeen plaatselijk belang
  • Architectonisch criterium
  • Vermindering van de authenticiteit
  • Situering
  • Zeldzaamheid (lokaal of regionaal)
  • Technische staat


. Hierop zal separaat worden ingegaan.

Selectie

Evenals bij de selectie van rijksmonumenten gelden hier overwegingen als ‘schoonheid, betekenis voor de wetenschap en cultuurhistorische waarde’. De panden die voor selectie in aanmerking komen moeten van plaatselijk belang zijn. De selectiecriteria zijn dus anders van aard en meestal minder streng dan bij de selectie van rijksmonumenten, waar het rijksbelang geldt. Dat betekent niet dat de selectie minder zorgvuldig kan geschieden. Ook hier gelden de overwegingen van monumentale belangen tegenover andere belangen, zoals belemmeringen van de eigenaar en het wooncomfort van de gebruiker. Een belangrijk verschil met de rijksmonumenten is dat de gemeente niet is gehouden aan de leeftijdsgrens van vijftig jaar die de Monumentenwet stelt. De gemeente is daarin vrij, zodat ook jonge, zelfs nieuwe panden de monumentenstatus kunnen krijgen.


De MIP-inventarisatiegegevens zijn meestal het startpunt voor een gemeentelijke monumentenlijst. En daar was het MIP ook voor bedoeld. De MIP-gegevens zijn inmiddels veelal verouderd en de panden zijn soms al gesloopt. In de aanwijzingsprocedure moeten de gegevens daarom worden geactualiseerd. Dat geldt vooral voor foto’s en redengevende omschrijvingen. Omdat de MIP-inventarisatie alleen de periode tussen 1800 en 1940 omvat, moet ook gelet worden op objecten van voor die periode die geen rijksmonument zijn. Inmiddels wordt de naoorlogse wederopbouwperiode gewaardeerd. De wederopbouw kan eveneens interessante objecten of structuren beiden die als gemeentelijk monument in aanmerking komen.

Er bestaan methodes met selectiecriteria die in zwaarte verschillen. Dit komt tot uiting in de wegingsfactor. Niet elk criterium zal even zwaar meetellen. Een pand krijgt voor elk criterium een waardering, zodat in een matrix alle panden met een eindcijfer worden opgenomen. Hoe waardevoller het pand, hoe hoger de waardering. Met de wegingsfactoren kan een pand wat verminkt en bouwvallig is, alleen nog een hoge score krijgen als er voldoende andere kwaliteiten tegenover staan. Zo ontstaat een eerste schifting tussen panden die waardevol en minder waardevol zijn. Het is van belang om hier niet uitsluitend naar de cijfers uit de matrix te laten beslissen. Deze cijfers zijn immers het product van subjectieve waardering. De uiteindelijke keuze is mensenwerk waarin overleg en belevingswaarde van het monument een rol spelen. Deze methode heeft beperkingen voor het aanwijzen van gemeentelijke monumenten in het landelijk gebied. Het platteland is nooit een podium geweest voor bekende architecten. Dat architectonisch criterium is daar van ondergeschikt belang geworden. Vaak zijn het de boerderijen die beeldbepalend zijn. Omdat dit bedrijfsgebouwen zijn, zijn zij vaak aangepast aan veranderde omstandigheden en behoeften. Dit is weliswaar een aanpassing, soms een aantasting van de gaafheid, maar altijd inherent aan de dynamiek van de boerderij. Het kan zelfs zo zijn dat door deze veranderingen een zekere cultuurhistorische component wordt toegevoegd aan het monument. Bij de al te strikt volgen van de bovenstaande methodiek, zullen de gave [[rentenierswoning]rentenierswoningen]] uit de jaren 1920-1930 altijd hoger scoren dan de boerderijen uit de 17e eeuw. Met de in het veldwerk opgenomen gegevens kan een raming worden gemaakt van de kosten van instandhouding. Afhankelijk van de hoeveelheid geld die de gemeente beschikbaar wil stellen aan eigenaren kan worden bepaald hoeveel en welke panden worden geselecteerd tot gemeentelijk monument. Daarna wordt de lijst definitief.

Aanwijzing

Vervolgens kan het college van B&W besluiten om de geselecteerde panden de status van gemeentelijk monument te geven. Het vervolg is een juridisch traject, waarbij alle eigenaren op de hoogte worden gebracht. Gemeentelijke monumenten moeten ook worden vastgelegd op de plankaarten van bestemmingsplannen, en worden doorgegeven aan het kadaster. De procedure van aanwijzing, beroep en bezwaar staat in de monumentenverordening. Discussiepunten bij de aanwijzing zijn:

  • wat betekent dit voor de eigenaar, wat worden zijn (extra) verplichtingen?
  • wat stelt de gemeente als tegemoetkoming er tegenover?

Op deze vragen moeten in de monumentenverordening en de subsidieverordening het antwoord zijn te vinden.