Voeg herstellen: verschil tussen versies
| Regel 2: | Regel 2: | ||
===Voegsoorten=== | ===Voegsoorten=== | ||
| − | [[Bestand: | + | [[Bestand:Voeg Inspectiehandboek monumentenwacht 1 2 p19.jpg|thumb|150px|Verschillende voegsoorten. Afbeelding uit Monumentenwacht, Inspectiehandboek 1, 1.2, p.19]]De mortel tussen bakstenen kan helemaal doorgestreken zijn. Dit gebeurde tot halverwege de 19de eeuw altijd en erna, in enkele gevallen, ook nog. Toch is er vanaf de 18de eeuw ook een nieuw verschijnsel toegepast namelijk de na-voeg. Hierbij is de mortel niet doorgestreken en wordt de buitenzijde opgevuld met een (hardere) waterdichtere mortel. |
Er zijn verschillende soorten voegen. Door slijtage is het vaak moeilijk te zien wat de oorspronkelijke voeg was. | Er zijn verschillende soorten voegen. Door slijtage is het vaak moeilijk te zien wat de oorspronkelijke voeg was. | ||
| Regel 12: | Regel 12: | ||
===Herstellen van de voeg=== | ===Herstellen van de voeg=== | ||
| − | + | Als herstel van voegen noodzakelijk is, is het van belang dat de omliggende bakstenen niet beschadigen. Het gebruik van een slijptol mag dus maar heel beperkt worden toegepast en er moet ook een zeer dun blad op bevestigd worden zodat alleen de voeg ingesneden wordt. Hierna kan er met een kleine beitel en een hamer voorzichtig gewerkt worden en wordt alleen de voeg verwijderd tot voldoende diepte. Al het vuil moet worden weggeblazen en afgevoerd. Het metselwerk moet daags van te voren worden bevochtigd zodat de nieuwe voegmortel niet direct van vocht wordt onttrokken door het omringende metselwerk. | |
Ook de mortelsamenstelling moet afgestemd zijn op het bestaande werk. Zo hoort bij een zachte steen een zachte mortel met veel kalk en geen of weinig cement. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dit zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Bij cementmortels is cement het bindmiddel. | Ook de mortelsamenstelling moet afgestemd zijn op het bestaande werk. Zo hoort bij een zachte steen een zachte mortel met veel kalk en geen of weinig cement. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dit zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Bij cementmortels is cement het bindmiddel. | ||
Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren: van binnen naar buiten en van buiten naar buiten (regen). Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. En als er een keer iets kapot vriest is het de voeg en niet de baksteen, want die neemt minder snel vocht op. | Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren: van binnen naar buiten en van buiten naar buiten (regen). Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. En als er een keer iets kapot vriest is het de voeg en niet de baksteen, want die neemt minder snel vocht op. | ||
Versie van 13 apr 2012 10:49
"De voeg is het zichtbare deel van de mortel (de verharde specie) tussen de stenen van het metselwerk." ([cultureelerfgoed.nl/node/945/ Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2, Herstel van voegwerk]). Voegwerk moet na het herstellen van het metselwerk geschieden.
Voegsoorten
De mortel tussen bakstenen kan helemaal doorgestreken zijn. Dit gebeurde tot halverwege de 19de eeuw altijd en erna, in enkele gevallen, ook nog. Toch is er vanaf de 18de eeuw ook een nieuw verschijnsel toegepast namelijk de na-voeg. Hierbij is de mortel niet doorgestreken en wordt de buitenzijde opgevuld met een (hardere) waterdichtere mortel.
Er zijn verschillende soorten voegen. Door slijtage is het vaak moeilijk te zien wat de oorspronkelijke voeg was. Er wordt onderscheid gemaakt in doorgestreken voegen, platvolle voegen, iets terugliggende voegen, verdiepte voegen (doorgestreken), platvolle voegen met dagstreep, gesneden voegen, geknipte voegen en schaduw voegen. Goed om te weten is dat boerderijen, en vooral de achterhuizen, vrijwel nooit een mooie siervoeg kregen. Het aanbrengen van bewerkelijke siervoegen was meer iets voor het voorhuis van een rijke boer. Zelfs daarvoor was het vaak een uitzondering. Gesneden, geknipte en schaduw voegen komen alleen voor bij machinaal gevormde bakstenen. Dit heeft ermee te maken dat die stenen maatvaster zijn dan handvorm stenen en dus ook beter tot hun rechtkomen met een dergelijke voeg.
Voegen die op boerderijen voorkwamen
Voegen die op een boerderij voorkwamen zijn: de doorgestreken voeg, platvolle voeg, iets terugliggende voeg en een platvolle voeg met dagstreep. Boerderijen met machinaal gevormde bakstenen van rond de eeuw wisseling (19de en 20ste eeuw) kunnen ook gesneden voegen hebben.
Herstellen van de voeg
Als herstel van voegen noodzakelijk is, is het van belang dat de omliggende bakstenen niet beschadigen. Het gebruik van een slijptol mag dus maar heel beperkt worden toegepast en er moet ook een zeer dun blad op bevestigd worden zodat alleen de voeg ingesneden wordt. Hierna kan er met een kleine beitel en een hamer voorzichtig gewerkt worden en wordt alleen de voeg verwijderd tot voldoende diepte. Al het vuil moet worden weggeblazen en afgevoerd. Het metselwerk moet daags van te voren worden bevochtigd zodat de nieuwe voegmortel niet direct van vocht wordt onttrokken door het omringende metselwerk. Ook de mortelsamenstelling moet afgestemd zijn op het bestaande werk. Zo hoort bij een zachte steen een zachte mortel met veel kalk en geen of weinig cement. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dit zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Bij cementmortels is cement het bindmiddel. Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren: van binnen naar buiten en van buiten naar buiten (regen). Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. En als er een keer iets kapot vriest is het de voeg en niet de baksteen, want die neemt minder snel vocht op.
Vervang geen voegwerk als het geen technische noodzaak heeft
Goede voegen zijn belangrijk om het water uit de gevel te houden. Tegenwoordig wordt het voegwerk echter te vaak vervangen door dikke, naar voren uitstekende geknipte voegen, ook als hier geen technische noodzaak voor is. De voeg is veel grover dan de originele, waardoor het oorspronkelijke beeld wordt aangetast. Bij het ophakken en uitslijpen van de voegen beschadigt men vrijwel altijd de stenen. De schade kan onhelstelbaar zijn. Beperk de reparatie tot de slechte delen van het voegwerk. Het kan u veel geld besparen.
Deze tekst is gebaseerd op:
- Monumentenwacht Inspectiehandboek 1, 1.2, p.19
- Lennert Vrij, Boerenerven op het landgoed Twickel, p.86, 87
- Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2, Herstel voegwerk
- Bureau Helsdingen / Gemeente Leidschendam-Voorburg, Monumenten Waarderen en beheren, Practische leidraad voor eigenaren van monumenten, 2010
Verder lezen
- Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2, Herstel voegwerk
- Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 5, Oorzaken van schade aan baksteenmetselwerk en herstel 1
- Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 5, Oorzaken van schade aan baksteenmetselwerk en herstel 2
- Brochure techniek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 8, Vocht en zouten in metselwerk
- 10x Doen en niet doen voor uw monument