Sallandse erf

Uit Agriwiki

In het essenlandschap in het gebied van de Sallandse dekzandruggen ontstond het Sallandse erf. Boerderijen stonden in deze gebieden vaak bij elkaar in esflankdorpen als Stokkum, Elsen en Herike. Sallandse erven zijn ook terug te vinden in de voormalige natte heidegebieden, de huidige jonge ontginningen.

Anders dan bij de Erven van de Twentse Laagten stonden op Sallandse erven juist kleine boerderijen: de zogenoemde Sallandse boerderij. Het rieten dak van deze boerderijen liep oorspronkelijk laag door en op de plaats van de terugliggende niendeur vormde zich een onderschoer. Vanaf ca. 1830 werd deze achterzijde vervangen door een hoog opgemetselde muur met een korfboog en kreeg het dak een wolfseind. Naast deze ingreep werd het voorhuis soms ook nog tot een dwarshuis verbouwd. Dit is een bouwstijl die vooral rond het Rivierengebied in trek was en kent rond Markelo zijn noordoostelijke grens.

Aanzicht - Markelo - 20150824 - RCE.jpg

De hooischuren[bewerken | brontekst bewerken]

Op het Sallandse erf stonden karakteristieke hooischuren. Deze schuren hadden een of twee doorritten (ook wel dwarsritten genoemd). Dit betekent dat de boer aan één zijde de schuur met een volle hooiwagen naar binnen kon rijden en er aan de andere kant met een lege hooiwagen weer uit kon rijden. Omdat de kar bij het inrijden een grotere ingang nodig had dan bij het uitrijden, was deze soms groter gemaakt. Deze typisch Markelose schuren worden ook wel dwarsritschöppen genoemd.

Andere bijgebouwen[bewerken | brontekst bewerken]

Op het Sallandse erf bevatte naast de karakteristieke schuur ook vaak een houtmijt en roggeberg, die goed bereikbaar langs de weg waren gepositioneerd. Ook komen er zowel eenroedige Gelderse als vierroedige Overijsselse kapbergen voor. Schuin of naast de boerderij was doorgaans ook een kookhuis te vinden. Hierin werd in de zomermaanden een dagelijkse maaltijd bereid. Verder was er soms een bijenhouderij en houthok aanwezig.

Beplanting[bewerken | brontekst bewerken]

Meidoornhaag en knotlindes (niet in Salland)

Het Sallandse erf had een vrij sobere erfbeplanting. De moestuin was voor de boerderij gelegen en had ter bescherming een haag van bijvoorbeeld meidoorn met een hekje. Deze haag werd tevens gebruikt voor het drogen van de was. Vlak naast het huis stonden enkele fruitbomen (vaak: peren-, appel- en pruimenbomen). Hier kon het jongvee grazen en kon ook boekweit en spurrie worden verbouwd voor het veevoer.

Wanneer de voorgevel van de boerderij aan de zonzijde lag stonden er ook enkele knotlinden voor de ramen. Deze bomen hielden de woonvertrekken, kelder of melkkamer koel. Leilinden komen daarentegen maar nauwelijks voor in Markelo.

Op het nattere gedeelte van het erf werden vaak wilgen ('twieg') geplant; van de twijgen van deze planten werden manden gemaakt. Om het erf lag een grillige singel die niet volledig gesloten was. Hierdoor behield het erf een open karakter. Bij de niendeuren stond in Markelo ook vaak een kastanje. Hier konden paard en wagen in de schaduw staan. Andere hoge bomen op het erf en rondom het huis konden ook als bliksemafleider functioneren.

Bron[bewerken | brontekst bewerken]

A.M. van Velzen en J.R. de Vries. Omstreeks Markelo: De veranderende boerenerven in het Markelose landschap. Stichting Maarkels Landschap, 2006.