Keuterboer

Uit Agriwiki

Boer met een klein bedrijf die zijn inkomsten aanvult met loondiensten.

Met het ontstaan van marken op de woeste gronden en zandgebieden van Oost-Nederland werden oude sociale verhoudingen vastgelegd, en nieuwe verhoudingen gecreëerd.

Met de groeiende bevolking in de loop van de middeleeuwen kwam de realisatie dat het nodig was om regels op te stellen voor het gebruik van de woeste gronden. Boeren verenigden zich in zogenoemde marken of maalschappen waarmee ze zich op grond van ouder gewoonterecht, rechthebbend op het gebruik van de bossen en heidevelden beschouwden. De boeren stelden regels vast gericht op het gebruik van de heide en de bossen. Hierin werd onderscheid gemaakt tussen de eigenerfde, een boer die een volledige erf bezat in een marke, en keuterboeren die geen eigen boerderij of waardeel hadden geërfd, maar wel op de heide en het bos aangewezen waren om een leven op te bouwen. Keuterboeren hadden, in tegenstelling tot de eigenerfden, geen stemrecht in de marke. Ze leefden vaak een armoedig bestaan en moesten leven van het tijdelijke werk op de boerderijen van herenboeren, in de bosbouw, of bij de aanleg van grindwegen.

Woning[bewerken | brontekst bewerken]

Plaggenhut, Streekmuseum De Kalkovens
Keuterij in Augustinusga

Vaak beschikte de keuterboer over een kleine boerderij met enkel een stenen voorgevel, terwijl de rest bestond uit houten planken. Sommige keuterboeren leefden in nog erbarmelijkere omstandigheden in plaggenhutten.

Arbeiderswoning in Oostwold

Het gezin en het vee van de keuterboer verbleef onder hetzelfde dak. Sommigen vestigden zich op de heide, en legden ze kleine akkertjes aan buiten de oude dorpsgebieden. Als ze door de marke gedoogd worden konden ze zo soms een bestaan opbouwen als kleine boer. Dit werd vergemakkelijkt door de invoering van de aardappel rond 1750. Deze nieuwe kleine boerenbedrijfjes werden ook wel keuterijen of katersteden genoemd.

Regionale verschillen[bewerken | brontekst bewerken]

Een katerstede verwees in Salland, Twente en de Achterhoek naar een kleine hutachtige boerderij met enig land. In deze gebieden werden kleine stukken land aan keuterboeren verpacht de er zelf een simpel huisje bij bouwden. Dit eenvoudige huisje werd ook wel een kot of kate genoemd.

Noorderlijker, in oost-Groningen en de Drentse Veenkoloniën hielden de keuterboeren een kleine veestapel, en bewerkten ze ene perceel grond. De woningen van deze keuterboeren waren doorgaans dan ook in betere staat dan die van de keuterboeren zuidelijker van hen. De woningen werden ook wel arbeiderswoningen (aarbaidershoes) genoemd en kopiëerden in het klein de stijl van de grotere boerderijen in de regio.

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Cruyningen, Piet van. Bedrijf en Bestaan: Twee eeuwen economische geschiedenis van Gelderland. W Books, Gelders Archief, 2013.
  • Neefjes, Jan. Landschapsbiografie van de Veluwe: historisch-landschappelijke karakteristieken en hun ontstaan. Onder redactie van Hans Bleumink Theo Spek en Jan Neefjes, 2018.
  • 'Keuterboer.' Wikipedia, https://nl.wikipedia.org/wiki/Keuterboer.