Grondtype

Uit Agriwiki

Historische boerderijen zijn een weerspiegeling van het gebied waarin ze staan. De grond bepaalde de bedrijfsvoering van de boer en dus ook het type boerderij, de bijgebouwen en de dieren die op de boerderij werden gehouden. In Nederland zijn verschillende grondtypen te vinden:

Lössgronden[bewerken | brontekst bewerken]

Carréhoeve in Merkelbeek

De vruchtbare lössgronden in het Zuiden van Limburg leenden zich goed voor akkerbouw, zonder dat er veel bemesting nodig was. Op de plaatsen waar de akkerbouw ging domineren namen de grootte en het aantal bijgebouwen van de boerderij sterker toe dan bij de gemengde bedrijven. Het oorspronkelijke woonstalhuis raakte zo ondergeschikt aan de bijgebouwen. Hierdoor ontstonden nieuwe boerderijvormen. In het heuvelland werd de groepering rond een binnenhof een veel geziene oplossing. We kennen dit type boerderij nu als het binnenhoftype of de carréhoeve.

Door de compacte vorm van het binnenhoftype hoefde de boer geen lange afstanden tussen de verschillende gebouwen af te leggen. Daarnaast was het makkelijker in te passen in het geaccidenteerde terrein.

Veengronden[bewerken | brontekst bewerken]

Veengronden zijn voornamelijk te vinden in Zuid-Holland, Groningen en Drenthe. Deze van oorsprong moerassige gebieden resulteerde in lagen dode planten die door de jaren heen steeds dikker werden. Door lange evenwijdige sloten te graven werden de veengebieden in de middeleeuwen ontwaterd. Op de lange stroken tussen de sloten kon zo landbouw worden bedreven.

Vóór de 20e eeuw zag je in de veengebieden van Drenthe, Overijssel en Friesland de Plaggenhut.Deze simpele gebouwen huisden de armste lagen van de bevolking, en werden gemaakt van in de omgeving gestoken plaggen.

Zandgronden[bewerken | brontekst bewerken]

Boerderijen op zandgronden zijn doorgaans gemengde bedrijf. Door de schrale grond was er veel mest nodig om de akkers vruchtbaar te maken. Door middel van potstallen werd de dierlijke mest gemengd met plaggen.

Kleigronden[bewerken | brontekst bewerken]

In de kleigebieden van Nederland bevonden boeren zich eeuwenlang in een constante strijd tegen het water. Overstromingen kwamen regelmatig voor, maar zorgde tegelijkertijd voor een zeer vruchtbare sliblaag.

Zeeklei[bewerken | brontekst bewerken]

Zeeuwse schuur

Hoewel in Zeeland al in de late Steentijd mensen hebben gewoond, was het na de Romeinse tijd maar dunbevolkt. Pas in de vroege middeleeuwen kwamen er weer mensen in het gebied wonen. Deze bewoners hielden schapen op de schorren en verbouwde akkerbouwproducten op de hoger gelegen gebieden. Ook werd er zout- en turf gewonnen.

Na de stormvloeden was de kleigrond in de jonge polders in Zeeland zeer vruchtbaar. Boeren specialiseerden zich op meekrap en graan, en er ontwikkelde zich grote akkerbouwbedrijven met grote kenmerkende zwarte schuren. De grote schuren dienden voor de opslag van de akkerbouwproducten. Ook waren er in deze schuren stallen voor de runderen, die nodig waren om het land te bemesten, en paarden die hielpen met ploegen, eggen, en wagens trekken.

Doordat de poldergebieden aan de kust ontgonnen moesten worden staan de boerderijen doorgaans op lange smalle kavels.

Rivierklei[bewerken | brontekst bewerken]

De overstromingen van de rivieren in Nederland resulteerde in een laagje kleigrond die op de zandgrond werd afgezet. Hierdoor ontstond er door de jaren heen een vruchtbaar gebied langs de rivieren die uitermate geschikt bleek voor de fruitteelt. Hoewel er ook akkerbouw werd bedreven specialiseerden de boeren uit het rivierengebied zich al snel tot fruittelers.

Bron[bewerken | brontekst bewerken]

Hendrikx, J.A. Traditionele boerderijen in Noord-Brabant. Kempen Uitgevers, 2003.