Bouwhistorische opname

Uit Agriwiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Bij een bouwhistorische opname bepaalt de bouwhistoricus de monumentwaarde van een gebouw/complex door de bouwgeschiedenis en gebruikersgeschiedenis grondig te onderzoeken. De diepgang van het onderzoek wordt bepaald door de wens en de plannen van de opdrachtgever en het te onderzoeken object. Wanneer de opname globaler wordt uitgevoerd, noemt men dit een Quick Scan.

Werkwijze[bewerken | brontekst bewerken]

De onderzoeker richt zich op de buitenkant en de binnenzijde van het gebouw/complex. Het gebouw zelf is de belangrijkste bron en wordt grondig onderzocht en gefotografeerd. Dit wordt indien mogelijk /wenselijk aangevuld met literatuur- en archiefonderzoek zoals de bestudering van bouwtekeningen, kaarten en oude foto's.

Resultaat[bewerken | brontekst bewerken]

Op basis van het onderzoek naar de bouw en gebruiksgeschiedenis wordt een waardestelling opgesteld. Dit is een essentieel onderdeel van een bouwhistorische opname. De waardestelling kan weer dienen als uitgangspunt en toetsingskader voor restauratie, verbouwing of herbestemming. In het eindrapport zijn de feitelijke beschrijving, de interpretatie van de bouwsporen en de waardestelling duidelijk van elkaar gescheiden. Hierdoor zijn de onderzoeksresultaat controleerbaar en bruikbaar voor vervolgonderzoek. De eindwaardering van het gebouw/object wordt per categorie bepaald. Er wordt gekeken naar:

Bron[bewerken | brontekst bewerken]

De tekst is gebaseerd op:

  • Leo Hendriks, Jan van der Hoeve, Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek (Den Haag 2000 en 2009)

Links[bewerken | brontekst bewerken]

Verder lezen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Ronald Stenvert, Inleiding in de bouwhistorie, opmeten en onderzoeken van oude gebouwen (Utrecht 2007)