Vakwerk

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Term die wordt gebruikt voor gebouwen waarvan de wanden zijn opgebouwd uit houten stijlen en liggers die met elkaar verbonden worden. De stijlen en liggers vormen het geraamte van het gebouw; de hoofddraagconstructie. De ruimte tussen de stijlen en liggers wordt opgevuld met vlechtwerk van tenen en leem (vitswerk) of baksteen metselwerk of houten planken.

Verspreiding

Eeuwen geleden maakten mensen in onze streken de wanden van hun huizen door dikke takken in de grond te steken en daar dunnere takken doorheen te vlechten. Dit noemde men vitswerk. De takkenwand werd vervolgens dicht gestreken met leem. Later werd eerst een raamwerk van houten balken gemaakt, waarvan de vakken werden gedicht met vlechtwerk. De verticale stijlen, horizontale regels en schuin geplaatste schoren vormden een stevige constructie. Vakwerkwanden werden snel populair, omdat ze veel duurzamer waren dan vlechtwerkwanden. Een bijkomend voordeel van vakwerk boven vlechtwerk was dat de wanden hoger konden worden opgebouwd. Tot aan de Middeleeuwen werden overal in ons land boerderijen, maar ook burgerwoningen in dorpen en steden, opgetrokken uit vakwerk. Met de opkomst van de baksteen in de loop van de Middeleeuwen is het vakwerk in grote delen van ons land vervangen door metselwerk. In Zuid-Limburg en Oost-Nederland heeft de vakwerkbouw zich nog tot ver in de negentiende eeuw gehandhaafd. Deze gebieden waren namelijk ver verwijderd van de gebieden waar baksteen werd geproduceerd en bovendien was er in de directe omgeving leemgrond beschikbaar.

Witten van de gevels

In het oosten van ons land heeft men de vakwerkwanden nooit geschilderd. Daar behielden ze altijd hun natuurlijke kleuren. Daardoor valt dit vakwerk minder op dan in Zuid-Limburg, waar het opvallend zwart-wit werd gekleurd. Dat is overigens niet altijd zo geweest. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw werden in Zuid-Limburg steeds vaker de naar de straat gerichtte wanden van de vakwerkhuizen wit gekalkt, dus zowel het leempleister als de houtconstructie. Men kalkte de gevels wit om het huis een frisser en schoner aanzien te geven. Een bijkomend voordeel van het witten was dat de witkalk voor een vettig, waterafstotend laagje zorgde. Hierdoor kon de leem niet zo gemakkelijk uitspoelen. Een extra voordeel van het meekalken van de houtconstructie was dat de naden tussen hout en leempleister goed werden gedicht. Tegelijk met het witten ontstond overigens het gebruik om de gevelplinten donker te schilderen of te teren als bescherming tegen opspattend water en vuil.

Zwart-wit

Na de Tweede Wereldoorlog werd het houtwerk van de vakwerkhuizen in Zuid-Limburg zwart geteerd. Daaraan lagen statusredenen ten grondslag. Door de houtconstructie te zwarten, onderstreepte men het bijzondere karakter en de cultuurhistorische waarde van het vakwerkgebouw. Op deze manier zijn in het Zuid-Limburgse landschap de karakteristieke zwart-witte vakwerkhuizen ontstaan. In het oosten van Twente echter behielden ze hun oorspronkelijke kleur.

Roerend goed

Het traditionele vakwerkhuis geldt doorgaans als roerend goed. Dat heeft te maken met de opmerkelijke constructie van dit type huis: het was makkelijk af te breken en elders weer op te bouwen. Een mooi voorbeeld van een traditioneel vakwerkhuis is de kleine boerderij uit het Overijsselse Beuningen, die in het Openluchtmuseum in Arnhem is herbouwd. De wanden van deze boerderij zijn met een raamwerk van houten balken met elkaar verbonden. Hiervoor zijn pen- en gatverbindingen gebruikt. Het geheel is verzekerd met houten nagels. De vakken tussen het raamwerk zijn ingevuld met een vlechtwerk van takken en bestreken met leem. Zo ontstond een geheel demontabele constructie, waaraan geen spijker te pas kwam. Ook de manier waarop de gebintconstructie werd gebouwd, bevestigt het verplaatsbare karakter van het vakwerkhuis. De gebinten werden namelijk door de timmerman op zijn eigen erf gemaakt. Alle onderdelen werden hierbij van telmerken voorzien. Vervolgens werden de gebinten uit elkaar gehaald en naar de bouwplaats gebracht. Ter plekke werden ze weer in elkaar gezet, rechtop getrokken en met elkaar verbonden tot één houtconstructie, het constructieve hart van het huis. De kleine boerderij uit Beuningen is geplaatst op grote keien, waardoor het bouwwerk als het ware los op de grond komt te staan. De fundering met keien, met name onder de verticale stijlen van de vakwerkconstructie, was en is nodig om te voorkomen dat de houtconstructie al te snel gaat rotten door optrekkend bodemvocht. Het ‘roerende’ karakter van de constructie wordt erdoor geaccentueerd.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • 'Vakwerkhuizen', Landleven 12e jaargang, nummer 4 – juni 2007
  • 'Boerenhuis als boerengoed', Landleven 13e jaargang nummer 7, oktober 2008

Links