Bouwhistorisch onderzoek

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken

Een bouwhistorisch onderzoek is een onderzoek naar de monumentwaarde van een gebouw/complex op basis van de bouwgeschiedenis en de gebruikersgeschiedenis. Informatie wordt vooral uit het gebouwde object zelf gehaald, eventueel aangevuld met literatuur, archiefonderzoek en oude foto’s.

Doelstelling

Afhankelijk van de vraagstelling van de opdrachtgever kan een bouwhistorisch onderzoek verschillende (vaak meerdere) doelen hebben:

  1. signaleren van historische gebouwen/complexen;
  2. documenteren van historische gebouwen/complexen;
  3. vaststellen van de bouwhistorische waarde van een gebouw/complex;
  4. adviseren bij verbouwingen van bouwwerken en structuren;
  5. vergroten van de kennis van de geschiedenis van het bouwen in het verleden.

Door het bepalen en vastleggen van de monumentwaarde kan men voorkomen dat deze door onwetendheid verloren gaan. Dit is vooral belangrijk wanneer een gebouw/complex gerestaureerd wordt of op een andere manier herbestemd beheerd gaat worden.

Werkwijze

Omdat elk gebouw/complex uniek is, is een bouwhistorisch onderzoek altijd maatwerk waarbij afspraken over omvang, diepgang, onkosten en het eindproduct worden gemaakt. Degene die het onderzoek gaat uitvoeren moet onafhankelijk zijn om belangenverstrengeling te voorkomen. De onderzoeker kijkt vooral naar het gebouw/complex zelf. Aandachtspunten daarbij zijn onder andere typologie, constructie, gevels, bouwmaterialen, bouwwijze, de afwerking, decoratie en de locatie in de omgeving. Met deze gegevens kan eventueel het authentieke ontwerp van het gebouw/complex achterhaald worden en ook de veranderingen die het ondergaan heeft. Bouwsporen zijn van groot belang voor de reconstructie van de bouwgeschiedenis. Zelfs bij een gebrek aan schriftelijke bronnen en foto's is een bouw- en gebruikersgeschiedenis op basis van bouwsporen soms grotendeels in kaart te brengen.

Soorten onderzoek

De plannen en wensen van de opdrachtgever en het type gebouw/complex bepalen het soort onderzoek dat uitgevoerd wordt. De gangbare bouwhistorische onderzoeksvormen zijn:

  1. de bouwhistorische inventarisatie
  2. de bouwhistorische opname, ook wel verkenning genoemd
  3. de bouwhistorische ontleding

Bouwhistorische inventarisatie

Dit is een methode die gebruikt wordt voor een wat groter gebied. Bijvoorbeeld een wijk van een stad. Belangrijk hierbij is het op een snelle manier onderzoeken welke panden nader onderzoek waard zijn.

Bouwhistorische opname

Dit gaat over één pand of een complex. Hier wordt dieper op de bouwgeschiedenis ingegaan. Belangrijk onderdeel van een bouwhistorische opname is een waardestelling van het pand/ complex.

Een zogenaamde Quick Scan. Dit is een lichte bouwhistorische opname met een interne of externe waardestelling.

Bouwhistorische ontleding

Dit is de meest vergaande methode. Dit is een zeer uitgebreid onderzoek en dus ook kostbaar. Bij een bouwhistorische ontleding horen onder andere gedetailleerde opmetingen, fotoreportages, reconstructietekeningen en een gedetailleerde waardestelling. Bij een bouwhistorische ontleding worden vaak specialistische onderzoeken gedaan, zoals een kleurenonderzoek, een dendrochronologisch onderzoek en een tuinhistorisch onderzoek.

De rapporten bestaan uit een feitelijke beschrijving van de huidige situatie, een interpretatie van de gevonden gegevens in de vorm van een bouw- en eventueel gebruikersgeschiedenis, en een waardestelling. Wanneer deze drie onderdelen scherp van elkaar gescheiden zijn, kunnen de bevindingen beter gecontroleerd worden en gebruikt worden voor vervolgonderzoek. Afhankelijk van het type rapport kan een advies toegevoegd worden.

Bron

De tekst is gebaseerd op:

  • Leo Hendriks, Jan van der Hoeve, Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek (Den Haag 2000 en 2009)

Links

Verder lezen

  • Ronald Stenvert, Inleiding in de bouwhistorie, opmeten en onderzoeken van oude gebouwen (Utrecht 2007)