5.0 Teer, teerproducten en teervervangers

Uit AgriWiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Overzicht van teerachtige producten: Black Varnish, carbolineum, koolteer en een bonk pek. Deze producten worden uitgesmeerd met een ‘bokkepoot’. Foto: Frits van der Gronde
De teerlaag vormt een gebobbelde structuur. De naad tussen de delen is dichtgemaakt met in pek gedrenkt touw: de ‘pikdraad’. Foto: Frits van der Gronde
Detail van geteerde deeldeuren. Foto: Frits van der Gronde
Geteerde houten wand met hergebruikt raampje. Foto: Bureau Helsdingen

Geschiedenis

Teer is al uit de oudheid bekend als een degelijk product voor het verduurzamen van hout en voor medicinale toepassingen (teerzeep en teershampoo). Teer is het destillaat uit plantaardig materiaal en kan gewonnen worden uit allerlei planten zoals bomen en tabak, maar ook uit fossiele planten: turf, leisteen en steenkool. In de prehistorie en in de Middeleeuwen werd houtteer door kolenbranders gewonnen in meilers. Dat zijn opgestapelde en met plaggen afgedekte houthopen die onder bijzondere omstandigheden werden aangestoken. Door de luchttoevoer te regelen, verbrandt het hout bij lage temperaturen. De hars en de teer lopen uit het hout en worden opgevangen. De vrijkomende gassen en dampen condenseren tegen de koele buitenkant en condenseren weer tot teer. Uiteindelijk blijft houtskool over. Dit proces (door afkoeling vloeibaar maken van gassen) noemt men destillatie. Iedereen die wel eens een oude schouw in een boerderij aan de binnenkant heeft gezien zal dit herkennen. Ook hier heeft de teer uit de vrijkomende verbrandingsgassen zich vastgezet op de koele wand van de schouwboezem. In de 16de eeuw is de teerproductie in Scandinavië tot bloei gekomen. Veel kleine boeren in Noord-Zweden stookten houtteer als bijverdienste. Hiervoor werden vooral de wortels van de grove den gebruikt. Dit leverde de hoogwaardige Stockholmer teer. Ook de beukenteer is van goede kwaliteit. Door de intensieve handel in de 17de eeuw tussen Nederland en de Oostzeelanden kwam dit product ruimschoots voorhanden. In oude bestekken lezen we dikwijls dat het houtwerk bij stallen moest worden ingesmeerd met teer: Dan zal men de geheele schuur van buyten tweemaal teeren en ook de deuren van binne met fijne Stokholmer teer (boerderijbestek IJsselstein 1779). In de 19de eeuw kwamen er in ons land gasfabrieken waarbij stadsgas voor verwarming en verlichting werd gewonnen uit steenkool. Dit proces is in grote lijnen vergelijkbaar met wat hierboven is beschreven. Dit leverde als afvalproduct de bekende gedestilleerde koolteer, of steenkoolteer op. Steenkoolverwerking heeft ook andere (bij)producten opgeleverd die gebruikt worden voor het verduurzamen van hout zoals carbolineum.

Teersoorten

Verwerking en ondergrond

Teerproducten zijn onlosmakelijk verbonden met de houten schuren voorzien van potdekselwerk. De horizontale beplanking van de buitenwand van boerderijen en schuren werd vrijwel altijd geteerd. Voor houtwerk van schuren gebruikte men aanvankelijk houtteer, later carbolineum, al dan niet gemengd met koolteer, of onverdunde koolteer. Voor het behoud van het houtwerk is het van belang dat de houten wand kan ventileren en dat het hout kan ademen. De teerlaag moet daarom dampopen zijn aan de buitenzijde. Houtteer is meer dampopen dan koolteer. De hiervoor genoemde teerproducten worden uitgesmeerd met een bokkepoot. Dit is een kwast met een lange steel met een dikke ronde kop. Het verwerken gaat het best met warm weer. Als zowel het materiaal als de ondergrond warm is, is het beter smeerbaar en trekt het teerproduct beter in het hout. Vroeger werden de potten met teer wel warm gehouden op een oliestel, of in een bak met warm water. Uitvoeren van teerwerk in de volle zon is niet goed. Bestanddelen uit de teer of de creosootolie in de carbolineum verdampen te snel, en slaan neer op de huid. Dat zorgt voor verbrandingsverschijnselen op handen en in het gezicht.

Alternatieven

Sinds 1996 is het, vanwege de milieubezwaren, in Nederland verboden om koolteer, carbolineum of producten waarin dit is verwerkt, zoals black varnish, te verhandelen. De boerengewoonte om zwarte houten schuren in te smeren met de vuile motorolie uit de trekker is ook niet best voor het milieu. Voor het onderhoud van houten wanden van boerderijen moet er daarom gewerkt worden met milieuvriendelijke teervervangers. De houtteer of de Stokholmer teer, is een natuurproduct, en daarom nog steeds volop voorhanden. Bruinoleum wordt gemaakt uit plantaardige en dierlijke vetzuren en maakt het hout vettig en waterafstotend. Bruinoleum is een natuurlijke vervanger voor carbolineum. Bruinoleum kan ook worden gebruikt om houtteer te verdunnen. Het middel geeft het hout een goede bescherming zonder kans op verstikking. Voor plinten zijn producten in omloop, geschikt voor beton, cement of metselwerk. De meeste teervervangers zijn gemaakt van bitumen zoals bielzenzwart en silolak. Er bestaat ook Inertol op basis van bitumen. Bitumen is een aardolieproduct en verschilt daarmee fundamenteel van teer. Teervervangers op basis van bitumen hebben het nadeel dat ze gevoelig zijn voor olie, vet en UV straling. De hechting en de duurzaamheid zijn minder dan bij teer. Belangrijk zijn de eigenschappen. De teervervanger voor plinten moet dampopen zijn, zodat het opgehoopte vocht kan verdampen.

Alternatieven voor koolteer

De bovenstaande informatie is geschreven in 2006 en komt uit het boek ''Kleur op boerderijen''. Aanvullende informatie voor alternatieven voor koolteer is te vinden op Alternatieven voor koolteer.

Verder lezen

Bron

Deze tekst is gebaseerd op:

  • Ineke de Visser, Kleur op boerderijen. In het groene hart van Holland (Hardinxveld-Giessendam 2006)
  • Piet den Hertog, Teer, teerproducten en teervervangers. In: Nieuwsbrief Boerderij & Erf Alblasserwaard Vijfherenlanden, jaargang 11, nr. 17, maart 2009, pp. 10-11. [1]

Deze publicatie is tot stand gekomen door eigen onderzoek en o.a. de volgende bronnen:

  • M. de Keijzer en P. Keune, Pigmenten en bindmiddelen (Amsterdam, 2001)
  • L. Simis, bewerkt door H. Janse, en J. Berghuis jr., Schilder- en Verfkunst (’s-Gravenhage, z.j.)
  • H.J. Zantkuyl, Bouwen in Amsterdam (Amsterdam, 1973-1992 p. 94-108)